Waterwereld: de waterkringloop
Water beweegt tussen lucht, land en oceanen, zonder één vast beginpunt. Hieronder staan twaalf delen van die kringloop met telkens twee korte feiten en de USGS-bron.
Het kaartspel om deze werelden te verkennen komt binnenkort online. Tot dan lees je hier alle kaarten met hun bron.
Verdamping
Vloeibaar water kan onzichtbare waterdamp worden.
Verdamping onttrekt warmte en kan een oppervlak afkoelen.
Condensatie
Waterdamp kan weer vloeibare druppeltjes worden.
Druppels op een koud glas kunnen uit de omringende lucht komen.
Neerslag
Regen, sneeuw en hagel zijn vormen van neerslag.
Water valt wanneer druppels of kristallen groot genoeg worden.
Infiltratie
Een deel van het oppervlaktewater zakt de bodem in.
De bodemgesteldheid beïnvloedt hoe snel water binnendringt.
Grondwater
Grondwater vult ruimten in gesteente en sediment.
Een watervoerende laag slaat grondwater op en laat het door.
Transpiratie
Planten geven via hun bladeren waterdamp af.
Wortels nemen water op dat later weer in de lucht kan komen.
Sublimatie
IJs kan damp worden zonder eerst vloeibaar te zijn.
Sneeuw kan langzaam verdwijnen terwijl het blijft vriezen.
Afstroming
Water kan over het landoppervlak naar beneden stromen.
Verharde oppervlakken kunnen infiltratie verminderen en afstroming vergroten.
Waterbronnen
Bij een bron bereikt grondwater het oppervlak.
Bronnen verbinden grondwater met beken aan het oppervlak.
Gletsjers
Gletsjers bewaren water als ijs.
Smelten brengt een deel van dat opgeslagen water weer in beweging.
Oceanen
Oceanen bevatten het grootste deel van het water op aarde.
Verdamping uit oceanen brengt water in de atmosfeer.
Rivieren
Rivieren vervoeren water door een stroomgebied.
Een rivier kan zowel afstromend water als grondwater ontvangen.